Mijmeringen bij een broodrooster
Op 9 mei 1903 vindt op het Laageind in de toenmalige gemeente Lange Ruige Weide (nu Driebruggen) een belangrijke gebeurtenis plaats: in het gezin van Arie Boele en Teuntje Boele-Schoemaker wordt dochter Cornelia (Corrie) geboren. Zij is de negende van in totaal 12 kinderen en één van de oudere zussen van mijn opa, Willem Boele.
Van de jeugd van Cornelia is eigenlijk niets bekend. Wel weten we dat ze uiteindelijk naar de stad Utrecht is vertrokken, waar ze in meerdere gezinnen als hulp in de huishouding heeft gewerkt. Ze is daar verliefd geworden op de Utrechtse timmerman Cornelis Johannes (Cees) Thomassen. Cees, ter wereld gekomen in Utrecht op 22 oktober 1900 in de Javastraat op nummer 4bis, trouwt op 18 oktober 1945 met zijn Corrie. Ze worden in de echt verbonden in de gereformeerde kerk te Waarder,
door ds. K. Bokma. Het stel gaat wonen in Utrecht; het precieze eerste adres dat weet ik helaas nog niet. Na verloop van tijd verhuizen ze naar een kleine benedenwoning aan de Ahornstraat, op nummer 31 om precies te zijn.
En daar beginnen mijn herinneringen...............
Het huisje aan de Ahornstraat was niet groot: aan de straatkant een kamer die als slaap- en ook logeerkamer werd gebruikt en verder een smal keukentje. In het gangetje tussen de voor- en kamerdeur de ingang naar een kleine badkamer met toilet, ook in gebruik als opslagruimte en wasmachinehok en daarachter de woonkamer. Achter het huis nog een klein tuintje met in het midden zo'n rond perkje met van die rechtopstaande steentjes en verder grind, een klein schuurtje en een deur naar de daarachter liggende poort. In de woonkamer stonden een eettafel, wat losse stoelen en een dressoir. Aan de muur naast de kamerdeur hing boven het dressoir nog zo'n ouderwetse stadsradio, zo één met een lichtbruine stoffen voorkant, en later kwam er nog een televisie bij. Die laatste stond toen op het dressoir. Ze hadden ook nog een hond, een schotse collie luisterend naar de naam Terry.
Wat maakte tante Corrie en ome Cees, zoals wij ze noemden, nou zo bijzonder. Tante Corrie en oom Cees hadden geen kinderen en eigenlijk waren zij, als zijnde de zus en zwager van mijn opa, een oom en tante van mijn moeder, Teunie Poot-Boele. Wij, en dat geldt zowel voor mijzelf als voor al mijn broers, beschouwden tante Corrie en oom Cees meer als een soort bonusoma en -opa.
De oudste herinnering die ik aan hen heb is er één ergens uit begin jaren '60 en betreft een bustocht met een groene bus van de toenmalige maatschappij Citosa waarmee we, onderweg naar Utrecht voor een logeerpartij bij tante Corrie en ome Cees, het voorplein van station Woerden op reden. Dit nadat tante Corrie mij in Bodegraven had opgehaald. Deze logeerpartijen vonden plaats in de zomervakanties en waren voor zowel mijzelf als mijn broers, die er ook allemaal meerdere keren hebben gelogeerd, legendarisch. Voor mij was een weekje logeren bij ome Cees en tante Corrie soms samen met broer Willem en soms alleen, eigenlijk een hoogtepunt van de schoolvakantie. En ik denk eigenlijk dat ik deze laatste uitspraak ook wel een beetje namens al mijn broers doe.
Ome Cees en tante Corrie sliepen in de kamer aan de straatkant van de Ahornstraat in een opklapbed dat overdag, als de gordijnen open waren stond opgeborgen in zo'n bedstelling achter een gordijn. Wij, als logé, sliepen op dezelfde kamer in een logeerbed, dat stond tegen de wand tussen slaap- en badkamer.
Iedere ochtend kregen we bij het ontbijt een gekookt eitje en ome Cees lapte iedere opvoedregel over goede manieren en netjes eten die wij thuis aangeleerd kregen aan zijn laars, door ons te laten zien dat je een ei na het pellen in z'n geheel in één keer in je mond kon proppen. En wij hadden dan de grootste lol, want dat was aan ons, keurig opgevoed als wij waren, nog nooit vertoond. Wij, typisch kinderen uit het kleine dorp dat Bodegraven toen was, genoten ook van de aanvankelijk hele simpele uitjes met tante Corrie: Utrecht was een stad, dus wij reden met een stadsbus naar het eindpunt van de lijn en vervolgens gewoon weer terug, met de roltrappen helemaal omhoog en omlaag bij Vroom en Dreesman en Galleries Modernes, een rondvaart door de Utrechtse grachten en ook één keer per logeerpartij een cadeautje uitkiezen in de speelgoedwinkel schuin tegenover het huis in de Ahornstraat.
Op 12-02-1967 overleed ome Cees in het ziekenhuis aan de gevolgen van kanker en tante Corrie moest daarna, daar in de Ahornstraat, alleen verder. Voor ons als kinderen uit het gezin Poot-Boele veranderde er, ondanks deze droeve gebeurtenis, eigenlijk helemaal niet zo veel. De logeerpartijen bleven en de uitjes werden naarmate wij ouder waren zelfs nog wat grootser: een tripje naar Rotterdam voor een ritje in de pas geopende metro, een bezoek aan het panorama Mesdag in Den Haag, bezoekjes aan het natuurzwembad in Bilthoven en aan de pyramide van Austerlitz en verder altijd één keer mee naar Zeist waar tante Corrie nog steeds
schoonmaakte in het zomerhuis van de familie Julius.
Toen we wat ouder werden namen de logeerpartijen af. In plaats daarvan gingen we gewoon op bezoek: broer Willem en ik tijdens een tienertoer in 1970 of 1971 en later ook als Alie vanuit Schoonoord naar Bodegraven kwam, werd er voor aanvang van het laatste stukje treinreis naar Boreft, eerst een bakkie gedaan bij tante Corrie.
Toen Alie en ik ons in 1976 verloofden, kregen we van tante Corrie een broodrooster cadeau. Een voor die tijd luxe apparaat: een Philps de luxe in de typische jaren '70 kleuren geel en bruin. In november 1977 zijn we getrouwd. Tante Corrie kon daar helaas niet meer bij zijn. Ze had net als ome Cees kanker en zat in een zwaar behandeltraject. Wel feliciteerde ze ons per telegram en gaf ons een voor die tijd forse financiele bijdrage waarvoor we dan zelf maar iets moesten aanschaffen.
Vrij kort daarna, gelukkig nadat we nog een keer vanuit Groningen in het ziekenhuis in Utrecht op bezoek waren geweest, is ze op 19-02-1978, op 74-jarige leeftijd overleden.
Tante Corrie en ome Cees kunnen helaas niet door eigen nageslacht worden herinnerd. Dus doen wij dat maar, als zijnde hun bonuskleinkinderen.
Het broodrooster uit 1976 voldoet niet meer helemaal aan de eisen van deze tijd. Toch kan ik het niet over mijn hart verkrijgen om het weg te doen en daarom, altijd, als ik het broodrooster uit 1976 uit de kast pak om er twee sneetjes brood in te roosteren en deze vervolgens in stukjes gesneden als een soort van toastje te beleggen met een beetje Bleu d'Auvergne gaan mijn gedachten, mijmerend, altijd even terug naar die prachtige tijd met bonusgrootouders tante Corrie en ome Cees uit de Ahornstraat in Utrecht.
Bij deze: opdat wij niet vergeten........
![]() |
![]() |
![]() |




